Brandveiligheidseisen gemeente Wageningen/Ede
Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen
- De ingangen, doorgangen, uitgangen, nooduitgangen, gangpaden, galerijen, trappen, hellingbanen en
vluchtwegen moeten te allen tijde over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels
en steeds voldoende stroef zijn.
Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het
aansluitend terrein.
- Een (nood)uitgangsdeur mag bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk uitsluitend zodanig
zijn gesloten, dat de uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte
kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los
voorwerp.
- Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, mogen niet langer in
geopende stand worden gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen
noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, resp. luiken,
loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwerking en/of rookwerking moeten dienen.
Deze automatische inrichtingen behoeven de goedkeuring van burgemeester en wethouders.
- Buitentrappen en hellingbanen van bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen moeten
worden vrijgehouden van sneeuw en ijs.
- Deuren, hekken en andere afsluitingen in vluchtwegen moeten, indien deze niet draaien in de
vluchtrichting, gedurende de tijd dat in het gebouw personen aanwezig zijn, in geheel geopende
stand worden gehouden en zodanig zijn vastgezet dat deze niet door onbevoegden kunnen worden
gesloten (dit geldt niet voor brandwerende deuren).
- Gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d. moeten zodanig zijn
aangebracht, dat deze met de deuren meedraaien en in generlei opzicht het openen van de deuren
belemmeren en/of verhinderen.
- Kabels en snoeren moeten in geval deze over de vloer moeten lopen met goede plakstrips worden
vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen.
- Rookvorming, veroorzaakt door bijvoorbeeld een rookapparaat of koudijs of op andere wijze gemaakt,
mag nooit een snelle ontruiming verhinderen.
Artikel 2 Stoffering en versiering
- Stoffering en versiering moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur,
waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80°C bedraagt.
- Vloer- en trapbedekkingen in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig
kunnen verblijven moeten zodanig zijn aangebracht dat zij niet kunnen verschuiven, omkrullen of
oprollen en mogen in generlei opzicht gevaar voor uitglijden, struikelen of vallen kunnen veroorzaken.
- Gordijnen en andere verticale stofferingen in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig
kunnen verblijven moeten 0,10 meter vrij van de vloer worden gehouden.
- Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering moet een vrije ruimte van
minimaal 2,50 meter overblijven. Deze versiering mag niet gemakkelijk ontvlambaar zijn, in geval van
brand mag geen druppelvorming plaatsvinden.
- Met brandbaar gas gevulde ballonnen mogen niet aanwezig zijn.
- De toe te passen, verticaal op te hangen textielproducten moeten in vluchtwegen en in ruimten
waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven, een navlamduur hebben van ten hooste
15 seconden en een nagroeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens de normen NEN EN ISO 6940
en 6941, uitgaven 1995.
- De toegepaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan:
- NEN 1775, uitgave 1991, en NEN 1775/A1, uitgave 1997, klasse T1 ten aanzien van
vloeren;
- NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 2 ten aanzien van de overige
aankleding en versiering;
- de eis ten aanzien van gordijnen van een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur
van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens NEN EN ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995;
- NEN 6066, uitgave 1991, en NEN 6066/A1, uitgave 1997, optische rookdichtheid <2,2 m-1,
waarbij laatstgenoemde eis niet geldt voor vloeren en tredevlakken.
Artikel 3 Installaties
- De elektrische verlichting moet aan de volgende eisen voldoen:
- Indien voor het gebruik door personen bestemde ruimten van een gebouw overdag onvoldoende
daglicht ontvangen of dergelijke ruimten na zonsondergang worden gebruikt, moet met het oog op het
veilig kunnen verlaten van het gebouw in die ruimten tijdens het gebruik daarvan een zodanige
elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux
bedraagt.
- Indien voor het gebruik door personen bestemde gedeelten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke gedeelten na zonsondergang worden gebruikt, moet
met het oog op het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk op die gedeelten tijdens het gebruik daarvan
een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten
minste 10 lux bedraagt.
- Wanneer aan de buitenzijde van de uitgangen van het bouwwerk onvoldoende daglicht aanwezig is,
moeten daar lampen van de elektrische buitenverlichting branden (minimaal 10 lux op de vloer).
- Treden in ruimten die tijdens de aanwezigheid van personen zijn verduisterd, moeten zodanig zijn
verlicht dat deze duidelijk zichtbaar zijn.
- Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen
wordt verduisterd, moet in die ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig verblijven, lampen
branden van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.
- Het gebruik van andere dan elektrische verlichting is verboden.
- Installaties voor verwarming en kookdoeleinden:
- In het bouwwerk mogen geen losse verwarmingstoestellen aanwezig zijn.
- Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast opgesteld verbruikstoestel
worden geplaatst. Indien de verbinding door middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit een GIVEG
goedgekeurde slang zijn. De slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn.
- De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn.
Artikel 4 Blusmiddelen
Bij inbouw moet het blusmiddel door middel van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd
pictogram of door middel van een aanduiding worden aangegeven.
Artikel 7 Afval
- Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van
moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld.
- Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars
van onbrandbaar materiaal.
De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien,
worden gedeponeerd.
- De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.
Artikel 8 Periodieke controle
- Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en
een controle worden gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig gerepareerd, voor zover
van toepassing, onderstaande voorzieningen:
- sluiting mechanisme van de brandwerende rolluiken;
- doorvoeringen en sluitingsmechanismen van afsluitingen in brandwerende scheidingen.
- De registratie van de controlewerkzaamheden dient te worden bijgehouden in een speciaal daarvoor
bestemd register.
De met controle belaste functionarissen van de brandweer kunnen tijdstippen bepalen en de wijze
aangeven waarop een en ander wordt beproefd.
|